Behandelingen

Craniosynostosen en syndromen

Het te vroeg sluiten van een schedelnaad gebeurt meestal voor de geboorte. Vaak wordt uw kind al geboren met een afwijkende schedelvorm. Omdat de schedel op de plaats van de vergroeiing niet meer met de rest van de schedel kan meegroeien ontstaat hierdoor de afwijkende vorm.

Verschillen tussen de craniosynostosen

Bij een wigschedel - trigonocephalie -  is de voorhoofdsnaad- metopicanaad- te vroeg gesloten.
Deze naad loopt van vanaf de neus tot aan de voorste fontanel. Het voorhoofd ziet er dan uit als een driehoek. Je ziet de vergroeide naad meestal als een verdikking lopen, de ogen zijn minder goed beschermd omdat de bovenste oogkasrand- wenkbrauw- meer naar achteren ligt. De ogen staan ook iets dichter bij elkaar.

De bootschedel - scafocephalie - kenmerkt zich door een lange smalle schedel. De pijlnaad - saggitaalnaad- is hierbij vergroeid. Deze loopt van de voorste fontanel midden over het hoofd naar de achterste fontanel. Wanneer deze vergroeid is kan de schedel dus niet meer naar de zijkanten groeien. Hierdoor wordt de schedel dus lang en smal en heeft het voorhoofd een bolle vorm- frontal bossing-.

Scheve schedel - plagiocephalie - is de vergroeiing van een van de kroonnaden -coronairnaad-, deze zitten aan de voorkant, of een van de achterhoofdsnaden -lamdoïdnaad- dit is zichtbaar aan een afplatting of een terugliggend voorhoofd. Bij een kroonnaad vergroeiing is vaak ook het aangezicht aan de vergroeide zijde kleiner of scheef.

Craniosynostosesyndromen
Een van de eerste kenmerken bij een craniosynostosesyndroom is vaak de vergroeiing van een of meestal meerdere schedelnaden. Dit geeft een zeer afwijkende schedelvorm. Afhankelijk van de ernst van het syndroom -van bijna geen zichtbare afwijkingen tot zeer ernstige lichamelijke afwijkingen- gaat dit vaak gepaard met aangezichtsafwijkingen, zoals te ondiepe oogkassen waardoor het lijkt alsof de ogen te ver naar voren liggen, te kleine bovenkaak waardoor soms ook ademhalingsmoeilijkheden ontstaan. Niet door de neus kunnen ademen, tandafwijkingen.

Afvoerstoornis in het hersenvocht: waterhoofd - hydrocephalus - waardoor een te groot hoofd of veel hoofdpijn klachten.
Enkele van deze syndromen zijn: Crouzon, Apert, Pfeiffer, Saethre-Chotzen, hemifaciale microsomie. In een aantal gevallen zijn deze aandoeningen ook erfelijk.
Om het type syndroom en de erfelijkheid te bepalen is het belangrijk dat er in een vroeg stadium onderzoek gedaan wordt door de klinisch geneticus. Afhankelijk van deze diagnose is ook vaak de volgorde en op welke leeftijd wij een operatie uitvoeren. Met als belangrijkste en meestal een van de eerste operaties, het opheffen van de craniosynostosen om zo schade aan de hersenen te voorkomen. Een vroege aanpassing van de schedel heeft vaak ook voor de uiterlijke kenmerken een positief effect.