Borstreconstructie

Technieken

Borstreconstructie DIEP lap (= DIEP flap)

DIEP staat voor Deep Inferior Epigastric Perforator. Dit is een bloedvat dat het vet en de buikhuid van bloed voorziet. Het bloedvat komt uit de lies. Vroeger werd vet van de buik ook gebruikt om een borst te reconstrueren, maar vaak werd er een groot of klein deel van de spier (TRAM of mini-TRAM operatie) meegenomen. Het nadeel van deze operatie was dat er vaak spierzwakte van de buik ontstond. De DIEP lap is een zogenaamde "perforator" lap dat wil zeggen een "lap" weefsel (vet en huid) van bloed voorzien door een bloedvat dat tussen de spier wordt vrijgemaakt en waarbij , in het geval van de DIEP, de hele buikspier intact wordt gelaten. Deze zogenaamde "perforator" lappen zijn de "state of the art" voor het reconstrueren van borsten. Door het gebruik van de huid en het vet van de buik wordt er een borst gemaakt van zacht, warm en levend weefsel. De zeer kleine bloedvaten van het buikvet worden ter hoogte van de lies losgemaakt en bij de borstkas weer aan andere bloedvaten gehecht. Dit gebeurt met behulp van de microscoop. Vervolgens wordt van het buikvet en de buikhuid een nieuwe borst gevormd. Het resultaat bij de buik is vergelijkbaar met een buikwandcorrectie, waarbij er een litteken op de onderbuik ontstaat.

Borstreconstructie SIEA

De SIEA operatie is in grote lijnen vergelijkbaar met de DIEP operatie. Ook hier wordt buikvet en huid gebruikt om een nieuwe borst te maken. Het verschil tussen de twee operaties is het bloedvat dat gebruikt wordt. Bij sommige vrouwen is er een groot bloedvat dat oppervlakkiger ligt en waardoor het niet nodig is tussen de buikspieren te opereren. Het bloedvat dat dan gebruikt wordt heet Superficial Inferior Epigastric Artery (SIEA) . De operatie is verder identiek aan de DIEP operatie. Ook deze lap is een perforator lap. Deze zogenaamde "perforator" lappen zijn de "state of the art" voor het reconstrueren van borsten. Door het gebruik van de huid en het vet van de buik wordt er een borst gemaakt van zacht, warm en levend weefsel. De zeer kleine bloedvaten van het buikvet worden ter hoogte van de lies losgemaakt en bij de borstkas weer aan andere bloedvaten gehecht. Dit gebeurt met behulp van de microscoop. Vervolgens wordt van het buikvet en de buikhuid een nieuwe borst gevormd. Het resultaat bij de buik is vergelijkbaar met een buikwandcorrectie, waarbij er een litteken op de onderbuik ontstaat.

Borstreconstructie TUG/TMG

Bij de TUG of TMG (transverse upper gracillis of transverse myocutaneous gracillis) operatie wordt weefsel vanuit de binnenkant van het bovenbeen gebruikt om een borst te vormen. Er wordt een deel van de huid vanaf de liesplooi gebruikt samen met een van de bovenbeenspieren (de musculus gracillis of slanke spier), welke gemist kan worden zonder functieverlies. De bloedvaatjes van het bovenbeen worden losgemaakt en ter hoogte van de borstkas weer aan elkaar gehecht. Vervolgens wordt met de huid, het vet en de spier van het bovenbeen een nieuwe borst gevormd. Er onstaat ook met deze ingreep een warme zachte borst van levend weefsel. Het litteken dat ontstaat bevindt zich in de liesplooi. Soms is er een tweede klein litteken net boven de knie noodzakelijk om de spier los te maken. De TUG operatie wordt gedaan indien er te weinig huid en vet op de buik aanwezig is en indien er wel voldoende weefsel is op de bovenbenen.

Borstreconstructie S-GAP/I-GAP

Indien er weinig weefsel is op de buik kan ook gekozen worden voor de S-GAP of I-GAP (Superior of inferior gluteal artery perforator). Net als de DIEP en SIEA is dit een perforator lap. In plaats van het buikvet en huid wordt vet en huid van de bil gebruikt. Er wordt geen spier meegenomen. Deze zogenaamde "perforator" lappen zijn de "state of the art" voor het reconstrueren van borsten. Door het gebruik van de huid en het vet van de bil wordt er een borst gemaakt van zacht, warm en levend weefsel. De zeer kleine bloedvaten van het bilvet worden ter hoogte van de bil losgemaakt en bij de borstkas weer aan andere bloedvaten gehecht. Dit gebeurt met behulp van de microscoop. Vervolgens wordt van het bilvet en de bilhuid een nieuwe borst gevormd.

Het verschil tussen I-GAP en S-GAP is het bloedvat van dat gebruikt wordt. Bij de I-GAP wordt aan de onderkant van de bil een bloedvat gebruikt, terwijl bij de S-GAP aan de bovenkant van de bil een bloedvat wordt gebruikt. Afhankelijk van de locale anatomie wordt voor een van beide opties gekozen. Bij de I-GAP komt het litteken in de bilplooi aan de onderkant van de bil te liggen. Bij de S-GAP ligt het litteken boven de bil en kan "verstopt" worden in de onderkleding. Het resultaat bij de S-GAP is vergelijkbaar met een bil lift. Recente ontwikkelingen door samenwerking met anatomen en chirurgen in de verenigde staten hebben een enorme impuls aan deze operatie gegeven. Tot voor kort werd de S-GAP en I-GAP liever niet gedaan, omdat het een heel lastige operatie was. Drs Tuinder heeft samen met dr van der Hulst een nieuwe techniek ontwikkeld die deze operatie echter veel eenvoudiger maakt. Dit betekent dat de operatie nu vergelijkbaar is met de andere mogelijkheden (zoals de DIEP en TUG) en zelfs soms de eerste keus is. Ook vallen de littekens van met name de variant van de S-GAP, de zogenaamde SC-GAP veel minder op.